Oda in de pers

BLIND GELOOF
Geluidswandeling Met blinddoek in processie voor heilige Oda

Edzard Mik in NRC Handelsblad, 12 oktober 2007

For english version click here.

Blind_geloof___116604a

Er is heel veel geloof nodig om geblinddoekt aan een geluids-wandeling mee te doen. Zoals eigenlijk elk kunstwerk geloof nodig heeft. Zonder geloof is er geen overgave en gebeurt er niets. Geblinddoekt lopen ze over de begraafplaats, gelovigen en ongelovigen. Ze worden geleid, ze houden zich vast aan de elleboog van iemand die nog kan zien, en verdwijnen achter de beuken en de monsterlijke Calvarieberg. Als ze weer opduiken en langzaam dichterbij schuifelen, zie ik dat hun gezichten glimmen. Er is hen iets overkomen, ze verkeren in hogere sferen. Even later krijg ik zelf die blinddoek om en vraag me af of ik ook zo’n devote smoel zal trekken, ik die me altijd heb laten voorstaan op mijn ongelovigheid. Kun je gelovig worden zonder het te willen, louter omdat de omstandigheden die kwaliteit als vanzelf bij je opwekken? Een gelovige ongelovige, een bekeerling die niet gelooft? De man die de processie zal voorgaan, heeft lang haar, een snor en een zacht gezicht, en op zachte toon vertelt hij ook wat er zal gebeuren. We krijgen een speciaal voor de gelegenheid ontwikkelde geluidsblinddoek om en zullen op onze wandeling dichter bij de heilige Oda worden gebracht. Haar geluiden zullen we horen, geluiden die haar wereld uitmaakten tot zij als door een wonder ineens kon zien en overspoeld werd door visuele indrukken. Het zijn geluiden uit het ruige, lege Schotland, waar ze opgroeide. Geluidskunstenares Cilia Erens gaf haar project op het kerkhof van Sint Oedenrode de titel ‘Terug naar Oda, een geluidsrelict (2007-680)’. Maar je zou het ook kunnen opvatten als een geluidsrelikwie. We onderwerpen ons op deze late septemberdag aan een ritueel, we dragen Oda’s geluiden met ons mee zoals in processies met haar botten wordt gezeuld.

Voor het Brabantse Sint Oedenrode is er alle reden haar gedachtenis tot leven te wekken. Sint Oda gaf het dorp een naam en een identiteit. Oda verbasterde tot Oeden, en Rode werd Sint Oedenrode. Eeuwenlang werd ze er vereerd. Maar die verering is sinds de jaren twintig ingezakt. En dus laat zich de vraag stellen wat Sint Oedenrode zonder Oda eigenlijk nog is. Zoals ook de vraag naar de eigenheid van Nederland steeds vaker wordt gesteld. Er is een jankende behoefte om die eigenheid op te roepen, naar voren te halen. Maar die behoefte bestaat alleen vanwege een gevoeld gebrek aan identiteit. Nederland is een relatief verschijnsel geworden, en dat maakt onzeker. Het dorp is een verhevigde manifestatie van die relativiteit en Sint Oedenrode onderscheidt zich wat dat betreft niet van andere dorpen. Al eeuwen ligt het behaaglijk tegen de Dommel aangevlijd, maar het oude landschap is door wegen en bebouwing verminkt, de A50 snijdt er rakelings lang, en de inwoners zijn allang niet meer allemaal in het dorp geboren, werken voor een groot deel in Den Bosch en Eindhoven, kijken net als de inwoners van Sint Michielsgestel, Schijndel en Waspik televisie, surfen op het web en gaan op vakantie in Thailand of Kenia. Wat is er dan nog over van de eigenheid van Sint Oedenrode? Of mag je zeggen dat die eigenheid zo langzamerhand een farce is, een verwrongen masker dat je opzet als indringers met een hooivork moeten worden weggejaagd? Sint Oedenrode kan alleen weer Sint Oedenrode worden als het haar beminde heilige rehabiliteert en in haar midden plaatst. Oda’s levensverhaal werd omstreeks 1250 opgetekend door de kanunnik Godefridus van Rode. Haar verering begon meer dan een eeuw eerder en had zoals meestal bij heiligenverering een politieke lading: de heren van Rode gebruikten haar als legitimatie van hun macht. Volgens de legende werd ze eind zevende eeuw in Schotland geboren, in dezelfde periode waarin Willibrordus Nederland kerstende. Ze was een mooie prinses, maar vanwege blindheid ongeschikt als huwelijkskandidaat. Dus stuurde vader haar naar Luik, waar bij het graf van de heilige Lambertus wonderbaarlijke genezingen plaatsvonden. Ze genas er, maar trouwen wilde ze niet. Ze ontvluchtte haar vader en vestigde zich uiteindelijk in het buurtschap Rode. Daar wijdde ze zich geheel aan god. Na haar dood bezochten velen haar graf om genezing te vinden, ze was vanzelfsprekend vooral bedreven in het genezen van oogkwalen. En toen haar botten in de twaalfde eeuw werden opgegraven, verspreidden ze een aangename, zoete geur. Dat was helemaal zoals het hoorde, ze deed het prima als heilige, al werd ze in de jaren zestig wel door de paus geëxcanoniseerd vanwege al te veel onduidelijkheden in haar verhaal.

De geluiden van Sint Oedenrode zijn nauwelijks meer te horen, in mijn oren alleen het klateren van een beek. Onzeker en een beetje angstig zet ik mijn eerste passen. Loop ik nergens tegenop? Tuimel ik niet in een gat? Trekt de grond zich niet snel terug nu ik even niet kijk? Ik houd een elleboog vast, de elleboog van Nils. Nils is een medewerker van de Stichting Kunst Openbare Ruimte en maakte zo-even nog een betrouwbare indruk. Maar of het zijn elleboog is, weet ik niet. Ik ken zijn elleboog niet goed genoeg, ze zouden mijn hand ook naar de elleboog van een ander kunnen hebben geleid. Ik moet dus maar geloven dat ik niet bedonderd word. Ik heb geen keus, ik moet me overgeven of die blinddoek afrukken. Ook zal ik moeten geloven dat me niets zal overkomen en dat de wandeling zin heeft, dat het er toe doet dat ik op die plek wandel en niet ergens anders. Het is nog geen geloof in God, maar er is al wel heel veel geloof nodig om aan de geluidswandeling mee te doen. Zoals eigenlijk elk kunstwerk geloof nodig heeft. Zonder geloof is er geen overgave en gebeurt er niets, blijven schilderijen, beeldhouwwerken en composities dode beelden, dode klanken. Heiligenverhalen zijn aanstekelijk, ook voor ongelovigen. Heiligen zijn volmaakt. In hen zijn lichaam en geest niet langer gescheiden en komt het leven tot rust. Ze refereren aan onze staat van voor de zondeval, toen het bewustzijn ons nog niet opzadelde met een schrijnend maar evolutionair uiterst productief besef van onvolmaaktheid. Het geloof in heiligen is met ons bewustzijn gegeven. Het is een ventiel om stoom af te blazen, een raam in de benauwde cel van ons dialectische denken. De wonderen van heiligen zijn daarom altijd een omdraaiing van hoe we de werkelijkheid doorgaans beleven en duiden. Hun dode lichaam stinkt niet maar ruikt naar jasmijn, ze genezen wat ongeneeslijk was, ze goochelen met tijd en doen voorspellingen, ze vliegen als het zo uitkomt rond kerktorens en komen pas écht tot leven na hun dood. Onverklaarbaarheid is een voorwaarde; wat verklaard kan worden, behoort tot het banale leven en verliest elke religieuze luister. Dove heiligen bestaan bij mijn weten niet, de oren moeten wijd open voor het woord gods, de influistering van engelen. Maar Oda was zeker niet de enige heilige die blind was. Blindheid bleek zelfs voor de oude, stervende Oedipus een spirituele kwaliteit; als apotheose van zijn gekwelde leven loste hij op in het licht. En van de christelijke heiligen wordt gezegd dat ze niet met hun ogen zien, maar met hun hart. Ogen zien alleen de buitenkant, het hart de binnenkant, de ziel. Daarom draagt blindheid het ultieme geestelijke in zich, en wie weet ook het wonderbaarlijke. Geluidskunstenares Cilia Erens laat me in Oda’s blindheid delen. Wat gelijk opvalt, is dat blindheid vertikaal maakt. Gewaarwordingen heb ik vooral hoog en laag in het lichaam. Mijn voeten tasten de grond af, de oneffenheden, de korreltjes, de plakkerige, natte plekken, en de wind waait door mijn haar en het zonlicht strijkt als een warme hand over mijn nek, over mijn voorhoofd. Even puur zijn de geluiden waarvan Erens me wil doen geloven dat Oda ze in Schotland hoorde. Een klaterende beek, een ruimtelijk geblaat van schapen, het blaffen van een hond, het knetteren van vuur, de wind die door de bomen waait, het overweldigende breken van golven en scholeksters die van het ene oor naar het andere vliegen, alsof je zelf die uitgestrekte ruimte omvat. Je zit er helemaal in, in de geluiden. Er is niets tussen jou en de geluiden in, je bént de geluiden. En zo begrijp je hoezeer ogen afleiden en ons bewustzijn activeren, verantwoordelijk zijn voor de afstand die we tot de werkelijkheid ervaren. Onze ogen hebben ons uit het paradijs verdreven; we kunnen ze dus beter sluiten om nog iets te ervaren van wat het was om één met de wereld te zijn.

Gaandeweg vergeet ik dat ik geleid word en in een processie loop. Ik heb me overgegeven en waan me alleen en onbespied, buiten welke sociale context dan ook. Ik ben van de ander verlost, van zijn blik, ik hoef mezelf niet meer te beschouwen en zal nu ook wel met zo’n idiote grijns op mijn gezicht rondlopen. Dat is wat deze blinde processie brengt: iets elementairs en kinderlijks dat vrijkomt als ons bewustzijn ons minder in de weg zit en onze sociale conditionering wordt opgeschort. Geen wonder dat een heilige goed met blindheid uit de voeten kan. Dan word ik naar een stoel geleid. Als ik voorzichtig ga zitten, als een stokoude man, hoor ik het aanzwellen en weer wegsterven van een brommer, vaag gedruis waarin even een stem opklinkt, een auto die voorbij rijdt, de kerkklok die vier slagen lang alle geluiden doet verstommen. Het is de troebele geluidsoep van het hedendaagse Sint Oedenrode, en ik weet niet helemaal zeker of ik naar de straat ben geleid of dat die geluiden via de geluidsblinddoek in mijn oren komen. De blinddoek gaat af en ik zit tegenover de ranke kapel die bovenop het heuveltje prijkt waar Oda haar hutje zou hebben gehad. Veel geluiden zijn er niet. Een meesje, bladgeritsel. De stilte van zerken. Het is zondag en het hele dorp viert zijn gemeenschapszin op een culturele manifestatie rondom slot Henkenshage. Maar wat overdondert, is wat ik zie: bladeren die schetteren tegen een grijze lucht, hardrode baksteen, scherpe lijnen, het fysiek van de andere processiegangers en het beeld van Oda van ondoordringbaar steen. Het is als een overmeestering, het slaat alles wat er te horen is weg. Ik kan me ineens voorstellen dat Oda teleurgesteld was toen ze kon zien. Ze begreep dat ze er niets mee was opgeschoten. Het wonder bleek een dwaalspoor en had maar één boodschap: haar blindheid postuum op te vatten als een goddelijk geschenk. Ze zonderde zich af en wijdde zich aan God, wat een andere manier is om je blind voor de gemeenschap te houden. Het maakte haar alleen maar belangrijker voor die gemeenschap, na dertien eeuwen weet ze de Rooienaren te binden en bezig te houden. Als ik het kerkhof verlaat, wil ik nog naar haar botten kijken. Nou ja, haar botten: uit onderzoek is gebleken dat ze uit de derde eeuw komen en dus nooit haar botten kunnen zijn. Ze liggen in de Sint Martinuskerk, maar verder dan het portaal kom ik niet, de kerk is gesloten. Ik ben teleurgesteld. Het is alsof ik de essentie van Sint Oedenrode heb gemist. Vreemd dat ik zoveel waarde toeken aan een hoopje botten, ridicule overblijfselen van het menselijk lichaam en niet eens van háár lichaam. Voor mij zijn het kennelijk niet zomaar botten meer. Ze hebben een bijzondere glans gekregen, aantrekkingskracht. Alleen omdat ik me in Oda heb verdiept en het geluidsritueel heb ondergaan. Uiteindelijk hoef je helemaal niet te geloven om te geloven. Voor je het weet, zit je er tot over je oren in.

Heiligenverhalen zijn aanstekelijk, ook voor ongelovigen. Bij hen komt het leven tot rust. Gewaarwordingen heb ik hoog en laag in het lichaam. Blindheid maakt vertikaal.

Wandeling met geluidsblinddoek in Sint Oedenrodefoto’s Hans van den Bogaard

Geluidskunstwerk
Het geluidskunstwerk ‘Terug naar Oda, een geluidsrelict (2007-680) is onderdeel van het project 7 waarvan 3 dat door de Kunststichting Sint Oedenrode samen met de Stichting Kunst Openbare Ruimte is opgezet. Het project zal een jaar duren. Landschapsarchitect Paul Roncken ontwikkelde een ‘masterplan’ waarin hij vijf kunstwerken omschrijft: een wandelpad, een orakel, een tijdelijke manifestatie, een hedendaags relikwie en een overgedimensioneerd project. Zelf ontwierp hij het wandelpad dat de bijzondere ligging van het dorp in het landschap zichtbaar zal maken en de geschiedenis van de zeven slotjes in het geheugen zal terugbrengen. De titel van het project verwijst naar die slotjes: drie van de zeven bestaan nog. Ze werden in de twaalfde eeuw gebouwd en constitueerden volgens de landschapsarchitect de identiteit van het dorp. „De bedoeling van het kunstproject is om deze grotendeels onzichtbare geschiedenis weer tastbaar en – voorál – relevant te maken.”

Voor meer informatie over het project: zie SKOR

GELUIDSWANDELING: MEER DAN CURIOSITEIT
Jan van Egmond in het Eindhovens Dagblad, oktober 2007
lees meer

‘Blind Geloof’  NRC Cultureel Supplement (12-10-2007) door Edzard Mik

BLIND FAITH
Edzard Mik in NRC Handelsblad, 12 oktober 2007

Cilia Erens in het voetspoor van Oda

Blind Faith
Sound walk with blindfold, in procession for Saint Oda

One needs a good deal of faith to take part in a soundwalk, blindfolded. In the same way that every artwork needs faith, actually. Without faith there is no surrender and nothing happens.

They walk across the graveyard blindfolded, believers and unbelievers alike. They are being guided, they hold on to the elbow of someone who can still see, and disappear behind the beech trees and the monstrous Mount Calvary. As they appear again and shuffle closer, I can see that their faces are shining. Something has happened to them, they’ve reached a higher plane. A little later I’m blindfolded myself, and find myself wondering if I will pull such a devoted face myself, when I’ve always been such a staunch champion of disbelief. Can you become a believer against your will, simply because the circumstances automatically evoke such a quality in you? A believing unbeliever, a convert who doesn’t believe?

The man who will head the procession has long hair, a moustache and a gentle face, and in hushed tones he tells participants what will happen. We are to be fitted with a specially-designed ‘sound-blindfold’ and will be brought closer to Saint Oda during the course of our walk. We will hear her sounds, sounds which made up her world until, miraculously, she could suddenly see and was inundated by visual impressions. These are sounds from the wild, empty Scotland where she grew up. Sound artist Cilia Erens entitled her project in the graveyard of St. Oedenrode ‘Return to Oda, a sound relic (2007-680)’. But one could also experience it as a ‘sound-treasure’. We are submitting ourselves to a ritual on this late-September day, we carry Oda’s sounds with us in the same way that her bones are lugged around in processions.

For the Brabantine village of St. Oedenrode, there is every reason to resurrect her memory. St. Oda gave the village a name and an identity. Oda was bastardised into Oeden, and the village of Rode became St. Oedenrode. She was venerated there for centuries, but this gradually declined and had stopped altogether by the 1920s. And so one can question what exactly St. Oedenrode is without Oda. In the same way that one more frequently questions the individual character of the Netherlands. There is a burning desire to evoke its individuality, to promote it. But that desire only exists because of a perceived lack of identity. The Netherlands has become a relative phenomenon, and that makes people insecure. A village is a heightened manifestation of that relativity, and in that respect St. Oedenrode is no different from any other village. For centuries it has nestled snugly against the River Dommel, but the old landscape has been mutilated by roads and building developments, the A50 grazes its boundaries, and for a long time the inhabitants haven’t all been born there, largely work in Den Bosch and Eindhoven, watch TV along with the inhabitants of St. Michielsgestel, Schijndel and Waspik, surf the web and take their holidays in Thailand or Kenia. What remains then of the individual character of St. Oedenrode? Or can one say that its individuality has gradually turned into a farce, a distorted mask that is only put on when intruders need to be chased away with pitchforks?

St. Oedenrode can only become St. Oedenrode again when it rehabilitates its beloved saint and places her in its midst. Oda’s life story was recorded around 1250 by Canon Godefridus van Rode. Her veneration begun more than a century earlier and had, as with the veneration of most saints, a political charge: the gentry of Rode used her to legitimise their power. According to legend she was born at the end of the 7th century in Scotland, in the same period in which Willibrordus christianised the Netherlands. She was a beautiful princess, but because of her blindness, not deemed a suitable candidate for marriage. And so her father sent her to Luik, where she underwent a miraculous healing at the grave of St. Lambertus. Although healed, she still didn’t want to marry. She fled from her father and finally settled in the hamlet of Rode. There she dedicated her life totally to God. After her death many visited her grave to seek healing, particularly those afflicted with eye conditions. And when her bones were dug up in the 12th century, these were said to give off a sweet, pleasant smell. This was completely accepted, and she was a popular saint, even though she was decanonised in the 1960s by the pope because of to many inconsistencies in her story.

The sounds of St. Oedenrode are hardly audible any more, I can only hear the babbling of a brook. Uncertain and a little fearful, I take my first steps. Will I bump into something? Will I fall down a hole? Is the ground suddenly retreat now that I’m not looking? I grab on to an elbow, Nils’ elbow. Nils works for Stichting Kunst Openbare Ruimte [Art in Public Space Foundation] and seems trustworthy. But whether or not his elbow is, I don’t know. I don’t know his elbow well enough, for all I know, I might have been guided to someone else’s elbow. I just have to believe that I’m not being duped. I have no choice, I either have to surrender or rip off the blindfold. I also have to trust that nothing will happen to me and that this walk has a point, that it matters that I’m walking in this place as opposed to somewhere else.

It’s not exactly belief in God, but one still needs a good deal of faith to take part in the soundwalk. In the same way that every artwork needs faith, actually. Without faith there is no surrender and nothing happens, paintings, sculptures and compositions would remain dead images, dead sounds.
Stories of saints are infectious, even for unbelievers. Saints are perfect. In them, body and soul are no longer separated and life attains peace. They refer to our state before the Fall, before consciousness had saddled us with a harrowing, but evolutionarily extremely productive, awareness of imperfection. A belief in saints
was bestowed along with our consciousness. It is a valve through which to let off steam, a window in the narrow cell of our dialectic thinking. The miracles of the saints are therefore always a reversal of how we usually experience and explain reality. Their dead bodies don’t putrefy but smell of jasmine, they can cure the incurable, they conjure with time and make predictions, they fly – if they have to – round church towers and only really come to life after their death. Inexplicability is conditional; whatever can be explained is part of banal life and loses any religious lustre.

To my knowledge, deaf saints don’t exist; the ears must be wide open to receive the divine word, the whisperings of angels. But Oda was certainly not the only saint to be blind. Even for the old, dying Oedipus, blindness had a spiritual quality; as apotheosis for his tormented life he dissolved in light. And it is said that the Christian saints don’t see with their eyes, but with their heart. Eyes only see the exterior, the heart sees the interior, the soul. For this reason blindness contains within it the ultimate spirituality, and perhaps also the miraculous.

Sound artist Cilia Erens allows me to take part in Oda’s blindness. What is immediately obvious is that blindness makes things vertical. My sense of perception is mainly high and low in my body. My feet feel their way over the ground, the unevenness, the grainy particles and the sticky wet patches. The wind blows through my hair and the sunlight strokes my neck, my forehead, like a warm hand.
Just as pure are the sounds that Erens would have me believe that Oda heard in Scotland. A babbling brook, a spatial bleating of sheep, the barking of a dog, the crackling fire, the wind that moans through the trees, the overpowering breaking of waves and the oystercatchers which fly from one ear to the other, as if you are experiencing the expanse of landscape yourself. You are completely inside it, inside the sounds. There is nothing between you and the sounds, you are the sounds.
And so you understand how eyes distract and activate our consciousness, are responsible for the distance we experience from reality. Our eyes drove us out of paradise; we’d be better off closing them in order to experience something of what it was like to be at one with the world.

Along the way I forget that I’m being guided and am walking in a procession. I have surrendered and imagine myself to be alone and unobserved, outside of any social context whatsoever. I am free of the other, of his gaze, I don’t have to see myself and am by now probably walking around with one of those idiotic grins on my face too. That’s what this blind procession brings about: something elementary and childlike that is freed when our consciousness is less in our way and our social conditioning is suspended. It’s no wonder that a saint is able to manage blindness so well.
Then I am lead to a chair. As I lower myself down carefully, like a very old man, I hear the swelling and dying away of a passing moped engine, a vague hum of conversation in which one voice briefly stands out, a car which drives past, all this suddenly drowned out by the church clock which strikes four. It is the murky sonic soup of modern-day St. Oedenrode, and I’m not totally sure if I’ve been guided to the street or if these sounds are coming to my ears via the sound-blindfold.

The blindfold is removed and I’m sitting opposite the gloomy chapel situated at the top of the small hill where Oda’s cell is supposed to have stood. There are not many sounds to be heard. A bluetit, the rustling of leaves. The silence of tombstones. It is Sunday and the whole village is celebrating its community spirit with a cultural event around the manor house of Henkenshage. But the overpowering thing is what I can see: leaves swirling against a grey sky, dark red brick, sharp lines, the physical characteristics of the other members of the procession and the statue of Oda, impervious in stone.
It is overwhelming, it supersedes anything that can be heard. I can suddenly appreciate Oda’s disappointment when she regained her sight. She understood that it didn’t do her any good at all. The miracle turned out to be a sidetrack with only one message: to construe her blindness posthumously as a divine gift. She withdrew from the world and dedicated her life to God, which is another way of turning a blind eye to the community. It only made her more important to that community, thirteen centuries later she still manages to bring the inhabitants of Rode together and engage them.
Before I leave the graveyard, I want to have a look at her bones. I say her bones: but the research shows them to be from the third century, so they could never be her bones. They are lying in St. Martin’s church, but I don’t get any further than the porch, as the church is locked. I feel disappointed. It’s as if I’ve missed the essence of St. Oedenrode. It’s strange that I attach so much importance to a heap of bones, the ridiculous remains of the human body, and not even her body at that.
Apparently, they’re not just bones to me any more. They have taken on a special significance, a power of attraction. All because I immersed myself in Oda and took  part in the sound ritual.
At the end of the day, you don’t have to believe at all in order to believe. Before you know it, you’ll be in it up to your ears.

Stories of saints are infectious, for unbelievers too. In them, life attains peace.My sense of perception is high and low in the body. Blindness makes things vertical.

Photographas of walk with sound-blindfold in St. Oedenrode by Hans van den Bogaard.

Sonic artwork
The sonic artwork ‘Return to Oda, a sound relic (2007-680)’ is part of the 7 of which 3 project, which was set up by the Kunststichting Sint Oedenrode (Sint Oedenrode Art Foundation) together with Stichting Kunst Openbare Ruimte (Art in Public Space Foundation). The project will last a year. Landscape architect Paul Roncken developed a ‘master-plan’ in which he reports on five art works: a footpath, an oracle, a temporary event, a contemporary relic and an overdimensioned project.
He himself designed the footpath that will highlight the unusual situation of the village within the landscape and restore to memory the history of the seven manor houses: three of the seven are still in existence. They were built in the 12th century and, according to the landscape architect, constituted the identity of the village. “The aim of the art project is to make this largely invisible history tangible once more and – above all – relevant.” For further information about the project please go to:
www.skor.nl

©  Mik, Edzard
Unrestricted

English translation by Rina Vergano at Creative Translations
aldenvergano@clara.net