Transit

Rotterdam, 1999-2000

Over geluid en klank, horen en luisteren
Bij de Rotterdamse Geluidswandeling van Cilia Erens
door Willem Jan Otten

Je ziet ze soms in een museum lopen: mensen met een koptelefoon op die luisteren naar wat ze zien. Althans, zo ziet het er uit. Ze gaan voor een kunstwerk staan, drukken een toets van de walkman in, en kijken terwijl een stem ze vertelt wat ze zien. Deze koptelefoonwandelaars zijn intrigerend omdat ze de indruk wekken er meer te zijn dan wij zelf. Het is alsof hun luisterende aandacht hun kijkende aandacht verdubbelt. Zouden ze inderdaad meer meemaken dan wij?
Tegelijkertijd zijn ze er minder dan wij, of althans, het is alsof ze zich net naast onze werkelijkheid bevinden. Er klopt iets niet wanneer mensen niet hetzelfde horen als wij. En dat is precies wat Cilia Erens veroorzaakt wanneer zij haar publiek een koptelefoon opzet en uitnodigt om een door haar uitgestippelde wandeling te maken. Haar publiek klopt plotseling niet meer. Het bevindt zich niet meer echt in ‘onze’ werkelijkheid. Het hoort namelijk iets wat er niet is. Het hoort geluid dat al geklonken heeft. Elders, vaak heel ver weg, in Taiwan, of Bolivia, of Thailand. Nooit is het geluid ‘vreemd’, in de zin van zeldzaam, of ongehoord. Altijd gaat het om de klank van het alledaagse, om geluid dat, op het moment dat het werd opgenomen, niet speciaal om naar te luisteren was. Het was er, en Cilia Erens was er ook, met haar apparatuur, en zij had besloten dat het wel beluisterd moest worden, althans, zij had haar speldknopkleine microfoontjes aan weerszijden van haar hoofd, aan haar bril, bevestigd, en was naar het geluid dat zij hoorde gaan lopen om het met haar recorder te registreren.

Met deze laatste zin zitten we middenin in een wespennest van begrippen. Erens hoorde iets, en besloot er met haar apparatuur naar te luisteren, opdat het eens, eenmaal opgenomen opnieuw zou kunnen worden beluisterd. En zij wist heel goed dat opgenomen geluid heel anders gehoord wordt dan hetzelfde geluid wanneer het ‘life’ wordt gehoord~ Luisteren en horen, dat zijn de twee raadselwoorden. De koptelefoon die wij opgezet krijgen maakt luisteraars van ons, maar we worden gevraagd om, met dit geluid in onze oren, door Rotterdam te gaan lopen, door de geluid producerende werkelijkheid, dus. Het zal dan ook zijn alsof we en door het opgenomen geluid lopen, en door Rotterdam.

Nooit heeft er zoveel gemaakt geluid geklonken, uit speakers, als tegenwoordig, en toch kun je niet zeggen dat we betere luisteraars zijn dan onze voorouders. Op een of andere manier zijn we erin geslaagd om de muziek alomtegenwoordig te laten zijn – in auto’s, in winkels, in shopping centres, via de walkmen-, maar het is alsof deze deken van kunstmatig geluid moet voorkomen dat we luisteren. Misschien is de muzak en aanverwanten voor ons wel wat de parfum was voor de achttiende-eeuwers een bescherming.

Maar waartegen? De achttiende-eeuwers wilden niet weten hoe ze in werkelijkheid roken, want ze stonken. Maar wij? Wat willen we niet horen? Cilia Erens laat tijdens haar Wandelingen nooit iets anders horen dan geregistreerd geluid. Dat wil zeggen dat wat je hoort precies zo gehoord is door haar, en zonder mixage wordt gereproduceerd. Mixage, dat is, zou je kunnen zeggen, de obsessie van iedereen die geluid wil maken. Alles wat we via de alomtegenwoordige speakers en headphones te horen krijgen is ‘gemengd’, dat wil zeggen: er is door een maker een sound van gemaakt. Zelfs de vrouwenstem die in het station de vertraging van de trein aankondigt wordt voorafgegaan door een herkenningsriedeltje, en klinkt ‘opgenomen’, wat ze ook is. Geen mens zal het in zijn hoofd halen om via dezelfde stationsspeaker eens echt ‘geluid’ te laten horen. Ongemixed, onbewerkt werkeIijkheidsgeluid. En waarom ook?
Zulk geluid is er immers altijd, overal. De werkelijkheid klinkt altijd, zelfs wanneer zij stil is horen we iets, al is het maar ons eigen slikken. Daarom is het zo merkwaardig dat Erens ons ongemengd geluid op onze hoofden zet. Geluid dat ergens anders al geklonken heeft, en toen ‘de werkeIijkheid’ heette, en door niemand anders speciaal werd opgemerkt dan door haar.
Ze laat dit geluid intact. Dat is de eerste fundamentele afspraak die ze met haar publiek maakt. Wat je hoort is wat zij heeft gehoord en opgenomen. Het is geen vervaardigd geluid. Je weet terwijl je het hoort dat het ‘werkeIijkheid’ is, dat het op het moment dat je begint te luisteren precies datgene is wat al eens, tijdens de opnames, heeft geklonken.
Het klinkt zo eenvoudig, maar als je er, na een GeIuidswandeling gemaakt te hebben, over nadenkt is het mysterieus. De bron van het geluid waar je naar luistert is verdwenen, of althans: is niet ‘hier’, en niet zelden is hij je onbekend..

Het effect is typisch ‘van onze tijd’, die immers beheerst wordt door het vermogen om de werkelijkheid letterIijk te registreren met apparatuur. Nooit hebben mens en zoveeI kunnen zien zonder er zelf bij aanwezig te zijn geweest – mensen zonder kinderen hebben bevallingen meegemaakt, mensen van wie alle verwanten nog leven hebben mensen zien sterven, mensen die al een halve eeuw in vrede leven hebben complete, gedetailleerde oorlogen gezien. Om het dramatisch te zeggen: doordat we ongelimiteerd over geregistreerde werkelijkheden kunnen beschikken, is het alsof onze hele werkelijkheid gemixed is. Onze ervaring van werkelijkheid is een gemengde: we reageren op een mengvorm van echte en gemaakte, aanwezige en niet-aanwezige werkelijkheden. Als we dan ineens, zoals tijdens een Geluidswandeling, een ongemengd geluid ‘opgezet krijgen’, dan gebeurt er iets raars, iets dat op elke wandelaar afzonderlijk een ander effect zal hebben. Want wat je hoort is, zo lijkt het, echter, ‘reëler’ dan het geluid van de wereld waar je doorheen wordt geleid. Je hoort immers iets wat eens door een ander gehoord werd. Ze heeft eens besloten dat deze speciale klank de moeite van het horen waard was. En dat betekent niets meer of minder dan dat zij, ten tijde van de opname, in de geluiden van alledag (want daar gaat het altijd om – om iets dat iedereen gehoord had kunnen hebben, want het ‘is er’, het hoeft niet gemaakt of gemixed te worden) iets hoorde waardoor het klank werd. Dat is een manier om deze vreemde procedure (die niemand intussen onbekend voor zal komen) te benoemen. Geluid wordt, in het oor van een luisteraar, klank. Een beluisterenswaardigheid. Het gaat om allerhande geluiden, variërend van iemand die ademhaalt tot iemand die met een soort drilapparaat een gebouw sloopt. De lijst zal niemand speciaal doen barsten van nieuwsgierigheid. Het gaat absoluut niet om ‘speciale geluiden’. Het gaat er niet om dat je raadt wat je hoort, want meestal weet je het meteen. Het gaat erom dat deze geluiden elk afzonderlijk een kwaliteit hebben die maakt dat je naar ze gaat luisteren. Hoe het komt dat je – meestal op vakantie ‘s morgens in een onbekend bed, volgens mij – van horen luisteren maakt, is een raadsel. Het is zeker ook een kindertijd-ding: voor het slapen gaan de afzonderlijke geluiden van het huis van je grootouders beluisteren. ledereen kent zijn eigen ogenblik waarop geluid klank werd, en altijd was het een ervaring van poëzie: het was alsof je op intiemer voet met de werkelijkheid kwam te verkeren; alsof de afstand tussen jezelf en de dingen oploste; misschien zelfs ‘werd’ je wat je hoorde.
Uiteindelijk is dit de ervaring van stilte. Die is nimmer: afwezigheid van geluid, maar eerder: de sensatie dat de geluiden afzonderlijk hoorbaar zijn, ze zijn het enige wat je nog wil horen, er hoeft niet iets anders gehoord te worden. De klank waar je al luisterend in opgaat ‘heeft niets met je voor’, het is doel in zich zelf geordend.

Het is voor de meeste mensen een zeldzame ervaring, en zeker in een wereld waarin zoveel wat je hoort vervaardigd en gemixed is, en dus altijd iets van je moet, altijd tekens geeft en bedoelingen communiceert.

En uitgerekend met zulk klank geworden geluid op je hoofd stuurt Cilia Erens je Rotterdam in, het Schouwburgplein op, het Weena over, het bijna gesloopte Station in, de Perrons op. Merkwaardig. En dat dan ook nog met koptelefoons op die het geluid van de stad zullen doorlaten.

De Rotterdamse geluidswandeling heet Transit, wat een effectieve havenstadse aanduiding is van wat er altijd tijdens een geluidswandeling gebeurt: je wordt van werkelijkheid naar werkelijkheid geleid, je stapt uit wat je hoort naar wat je ziet en terug, je kijkt via je oren, je hoort via je ogen. En dat allemaal in een grootsteedse stationsomgeving waar alles een en al overstap is. Het zijn geluiden van de tijd, zoals Cilia Erens ze zelf noemt. Steeds zullen we geluiden horen die tijdstippen, duur, verloop dramatiseren. Intussen is de formulering ‘geluiden van de tijd’ tergend dubbel op. Geluid is altijd tijd, duur. Op het moment dat een band gestart wordt, begint er een tijd met verstrijken; je kunt nimmer terug het geluid in, zoals een zeepbel niet terug de wind in kan. Dat is het onthutsende van de tijd. De ene richting waar hij uit stroomt. En toch is het, soms, op een wonderlijk moment waarop geluid klank wordt, alsof je in de tijd op zou kunnen gaan. Dat is misschien het moment waarop je het geluid van de tijd hoort – je hoort iets dat onherroepelijk verstrijkt, en bovendien: het is al eens gehoord, en opgenomen, en op een bandje gezet, het is per definitie eindig, maar omdat je begint te luisteren hoor je de tijd. De enige manier waarop je deze ervaring kunt benoemen is volgens mij: zeggen dat de tijd, even, wordt opgeheven.
Ziedaar het domein waar de Geluidswandeling ons binnenvoert. We worden, in de beste traditie van Tender, de theatergroep waar Cilia Erens haar wortels heeft, de stad in geleid, als een enigszins stommelende kudde, want we zijn hulpelozer dan we waren, we hebben immers een koptelefoon opgezet gekregen. En wat we horen transporteert ons naar een andere tijd, die welke op het bandje verstrijkt, en waar we, al luisterend, in opgaan. En tegelijkertijd wordt de werkelijkheid waar we ons ook doorheen bewegen, de echte, een theater. Of juist pas nu echt?De Russische filmer Andrej Tarkowski vroeg zich af waarom mensen naar het theater gaan. Niet alleen om de tijd te doden, zei hij, ofschoon dat beslist een goede reden is. Mensen willen in de zaal ook de tijd inhalen die ze overdag allevend verloren zijn.

Wat er gebeurt als je om zo te zeggen de tijd verdubbelt, en mensen al wandelend de ervaring van een nieuwe tijd bezorgt – dat probeert Cilia Erens met haar Geluidswandeling uit.

© Willem Jan Otten 1999

NRC transit

klik afbeelding voor grotere versie